De taal verzorger … verbeteraar

19 juni 2014

Als u ooit een boek heeft uitgegeven, dan kent u het wel. Het manuscript kan niet genoeg worden geredigeerd, gecorrigeerd, gecontroleerd en nog eens nagelopen, er blijft altijd ergens een foutje hangen. Zeker als het een vertaling naar de niet-moedertaal betreft en nog zekerder als de vertaalde tekst een literair werk is, waarin dikwijls gespeeld wordt met de taal.
412958_274728679316567_2038782362_o-2Maar na zoveel keer door de tekst te zijn gegaan, al dan niet in een dialoog met de redacteuren, ziet men niet meer waar het nog zou kunnen wringen, waar woorden over elkaar struikelen of opeens verkeerd zijn afgebroken. En wie kan beter de overgebleven omissies spotten, de (hopelijk) laatste taalonhandigheden en onbedoelde koddigheden in het boek onderscheppen dan een oud-schoolmeester?
Wie zou de specifieke terminologie die met de oorlogsvoering, wapens en soldatentaal te maken heeft beter kunnen nalopen dan een gewezen militair? En met wie zou je de laatste finesses van de reflexieve dieptes van een in Nederlands vertaalde tekst beter kunnen bespreken dan met een Erasmus- en Spinoza-kenner bij uitstek en een laatbloeifilosoof? Voor al die zaken, die zich in KLINboeken ruimschoots voordoen, kan ik terecht bij mijn goede vriend en de stille taalverzorger van mijn manuscripten, Folkert Boersma. Mocht u nu snel hebben gegoogled op die naam, dan heeft u vast de verkeerde te pakken. Hij staat niet bovenaan in de rij van zijn -op internet- bekendere naamgenoten. Dat zou ook niets voor hem zijn. Maar hij is wel te vinden op Facebook. Ook typerend voor hem om, waarschijnlijk aangemoedigd door zijn kleinkinderen, een FB account aan te maken.

Deze opgeruimde, bescheiden en behulpzame man en kwieke tuinier is onvermoeibaar in zijn maatschappelijke betrokkenheid. Regelmatig staat hij in de bres voor zijn partij: met posters op de oprit ten tijde van de verkiezingen terwijl hij zelf, uitgerust met rode rozen voorbijgangers aanspreekt op nabijgelegen stadspleinen. Zo nu en dan verschijnt een ingezonden brief van hem in de Volkskrant, over verzorgingsvraagstukken of politieke dwalingen. Wonend op het platteland, met een tuin om jaloers op te zijn, maar in het hart van het maatschappelijk debat is Folkert Boersma al een geruime tijd met pensioen, toch nog lang niet in ruste.

Op het moment dat ik hem voor dit gesprek strik, is hij net aan het bijkomen van de reünie met zijn klasgenoten, de kanonjongens uit de artillerieklas ’62. In dat jaar zijn ze afgestudeerd aan de KMA, de Koninklijke Militaire Academie. De inmiddels twaalf overgebleven mannen en hun vrouwen ontmoeten elkaar jaarlijks. Deze keer was het aan Folkert en zijn vrouw Sib om het gezelschap thuis te ontvangen. Sommige zijn als beroepsmilitairen verder gegaan, terwijl Folkert daarna nog economie heeft gestudeerd en de grootste deel van zijn loopbaan in het onderwijs heeft doorgebracht.

Komende week geeft hij enkele Spinoza lezingen in het noorden, daarna is er weer een weekeinde met kinderen en kleinkinderen, rond dertig in totaal als het gezelschap compleet is. En tussendoor lezen, heel veel lezen.

Zo begint ons gesprek meteen over de boeken van KLIN die hij als voorbereiding nogmaals heeft doorgelezen. Hij heeft ze alle vijf meegenomen en uitgestald op de tafel. De fanclub van Goran Tribuson vergelijkt hij nu met de Nederlandse romans in de jaren zeventig, toen alle remmen los gingen. Wij hebben het even over het grof taalgebruik en zijn aanvankelijke afkeer ervan. Ooit gaf hij dergelijke boeken weg, maar na het lezen van het voorwoord begrijpt hij mijn beweegredenen om juist dit boek te vertalen. Ook al werd het als nogal heftig ervaren hier in de buurt. De twee misdaadromans van Tribuson, Andermans zaken en Het grijze gebied, zijn niet direct de literatuur van zijn keuze, maar hij heeft er van genoten. Zijn er nog meer op komst, wil hij alvast weten.
‘Hoe kwam het ook alweer dat ik je manuscripten naloop?’ vraagt hij opeens.
‘Je hebt het zelf aangeboden’, herinner ik hem. ‘Waarschijnlijk wilde je ze verbeteren vóórdat ze gedrukt worden.’
Hij lacht en vertelt dat er inderdaad een paar opmerkingen te plaatsen zijn bij mijn woordkeuze. Het staat allemaal in zijn exemplaren, met potlood opgeschreven in de randen. Hij kan het niet laten om het te willen veranderen in nog vloeiender Nederlands. De discussie over de taal begint opnieuw. Toch hou ik niet van de helemaal vernederlandste zinnen, houd ik vol, als de soepelheid gaat ten kosten van de sfeer in de roman die overgebracht moet worden. Hij lacht geduldig. Hier komt een vervolg op, weet ik, maar nu niet.

In de bloemlezing Voetbal, engelen, oorlog vond hij vooral de verhalen uit de oorlog mooi. Geschreven door de mannen die er middenin hebben gezeten, voegt hij toe, met een bijzondere schittering in zijn ogen. Toch heeft hij geen spijt van zijn keuze om uit het leger te stappen, zegt hij. Met voetbal daarentegen heeft hij niets, wijst hij naar de kaft.
‘Ja, Kafka’s vriend is weer een heel ander boek. Ook mooi, met een milder taalgebruik. Ik heb er met plezier aan gewerkt. Wat ben je nu aan het vertalen?’ Alweer een afleidingsmanoeuvre, daar waar ik wil horen wat hij over zichzelf kwijt wil voor dit gesprek. Niets, het is wel goed zo. Maar hij is door de vorige blog wel nieuwsgierig geworden naar mijn volgende uitgave, zegt hij opnieuw. Te zijner tijd wil hij de drukproef voor mij lezen. Hoe dik is het boek eigenlijk? Bedachtzaam bekijkt hij het origineel van Een centimeter vanaf het geluk van Marinko Koščec en legt het dan weg. Het zal tussen het portretschilderen en andere bezigheden gebeuren, meldt hij opgewekt. Hoor ik dat goed, nog een vak erbij? Zijn vrouw Sib Postma is beeldend kunstenaar, ze schildert prachtige landschappen.

Zelf begint hij net. Ook al ben je in de zeventig, er is nog zoveel te doen en zoveel te verbeteren!