Kroatisch absurdisme

11 April 2018

Het is al een tijd geleden dat ik werd geïnterviewd voor Inct, het Rotterdamse platform voor uitgeefexperts. In de rubriek De taal als literaire uitgeefniche werd aandacht geschonken aan Uitgeverij KLIN die voor de gelegenheid werd omgedoopt tot de specialist in Kroatisch absurdisme (hier).

Zelf was ik er niet zo expliciet op gekomen, maar het klopt wel: vele van onze romans zijn absurdistisch te noemen. Het huis waar de duivel woont spant de kroon, gevolgd door De fanclub. Beide zijn geschreven door Goran Tribuson, de schrijver met de speelse pen, wiens oeuvre zonder meer de trigger was voor het ontstaan van KLIN. Ook de dystopie Een centimeter vanaf het geluk van Marinko Koščec heeft aardig wat absurdistische kenmerken, net als de roman De idealist van Tomica Šćavina. Om maar te zwijgen over Wraak van Anđelko Vuletić – ook zo’n speelse geest op leeftijd – waarin bepaalde passages als vanzelfsprekend leiden naar het surrealistische en verder, naar het ongerijmde.

Vertrouwd en begrijpelijk

In de dikke van Dale staat dat absurd strijdig met de rede betekent, ongerijmd, dwaas, onverstandig. Het is nogal wat om als onverstandig en dwaas bestempeld te worden, daarom een paar kanttekeningen. 
Dit absurdisme in de Kroatische literatuur voelt voor mij als vertrouwd en begrijpelijk, als een ontdekking die alleen door anderen gedaan kan worden terwijl ze mijn vertalingen lezen. Ik kom er vandaan, ik ken de achtergronden van deze romans, de alledaagse gebruiken en vanzelfsprekendheden die daar anders zijn dan hier. Voorbeelden te over: van de smaak en vorm van brood tot de kleur van het zonlicht midden op een zomerdag en de ingebakken gewoonte om in de tram op te springen voor iedereen die je als ouder inschat dan jezelf. (Ook de fitte tachtigplussers doen het, wat tot ongemakkelijke taferelen kan leiden als ze inschattingsfouten maken, maar dit even ter zijde.) Als dat allemaal impliciet anders is, dan begint ook het besef van het absurde op een ander moment dan voor de oorspronkelijk Nederlandse lezer. Zo zijn de handelingen van Cimbo, de antiheld uit Het huis waar de duivel woont, ook voor mij absurdistisch, maar ik durf te wedden dat het voor mij langer duurt voordat ik ze als zodanig bestempel dan voor menig medelander hier. Mijn voorstelling van de context, de barre ellende waarin hij leeft is anders dan de jouwe omdat ik met types zoals Cimbo op school heb gezeten en door het landschap bezaaid met kegelvormige heuvels, dat in het boek wordt beschreven, als kind regelmatig heb gereisd. Dat deel van het boek is voor mij nog reëel, de beleving is gebaseerd op herinnering. Voor mij begint het absurdistische pas als Cimbo zijn onbezonnen handelingen gaat verrichten, voor jou misschien al bij de beschrijving van zijn armoedige huis in het moeras achter de heuvels. Dat betekent dat het lezen van dit boek meer eist van jouw inlevingsvermogen dan van de mijne. Of dat de fictie voor jou eerder begint dan voor mij. In ieder geval dat we een en hetzelfde boek verschillend lezen.

Culturele identiteit?

Wat voor mij herkenbaar en begrijpelijk is, kan door jou als raar, vreemd of absurdistisch worden ervaren. Is dat wat men bedoelt met de culturele identiteit en -verscheidenheid: verschillende verwonderingssnelheden over de alledaagse gekkigheden afhankelijk of we ooit daartussen hebben geleefd? Of eenvoudiger gesteld: verschillende startposities.
Neem een voorbeeld dichter bij huis: de roman Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Voor mij is dat Nederlands literair absurdisme puur sang, maar het lezen ervan bracht een golf van herkenning met zich mee. Hoe kan dat? Doordat ik mij levensecht herinnerde hoe vreemd ik de gewoontes vond die ik aantrof in het Waterland van de jaren tachtig. Zoals mensen die meer gaven om hun huisdieren dan om hun naaste familie. (In Boven is het stil wint de ezel het van de zieke vader op zolder als het om liefdevolle aandacht gaat. De roman speelt zich af in Broek in Waterland.) Of het aanzien van een pikzwarte hond die Bianca werd genoemd, waarop ik de eigenaar prees om zijn gevoel voor humor. Hij begreep niet waarover ik het had, hij vond het gewoon een mooie naam voor zijn hond. Ik kon mij grote delen van de wereld voor de geest halen waar die naam voor zo’n hond niet gewoon zou zijn, wel humoristisch bedoeld.
Of die massief eiken meubels, liefst met grootbloemige bekleding, gepropt in piepkleine woonruimtes die men massaal had of massaal van droomde. Dat laatste heeft weer niets met Bakkers roman te maken, wel met mijn herinneringen aan bizarre, onbegrijpelijke gewoontes in die omgeving in die tijd. Wat ík uitermate vreemd vond en verre van verstandig, was gebruikelijk, gewoon, normaal, zeker niet strijdig met de collectieve rede.
In Waterland verloor ik tijdelijk mijn kompas voor het absurdistische omdat ik het in het echt overal om mij heen zag. Het heeft even geduurd voordat het op zijn plek viel. Tegen de tijd dat ik goed geïntegreerd raakte, nam de verwondering over mijn nieuwe omgeving af en maakte plaats voor een ruimere kijk op alledaagse gewoontes. Wat overeind bleef, was het besef dat het normale (of het absurdistische) ook maar een relatief, plaatsgebonden begrip is.

Terug naar de jaren tien. Met KLIN probeer ik de wonderlijke omgeving waar ik vandaan kom in een gesublimeerde vorm over te brengen naar Nederlandse lezers, door de Kroatische literatuur te vertalen en uit te geven. 

‘In de binnenlanden van Kroatië, buiten de gangbare toeristische routes, treft de lezer enkele personages die als verrassend, grotesk, exotisch of vreemd overkomen, maar ook bekend, als uit een oude doos.’

Dit stond al op de flyer van De fanclub, de allereerste uitgave van KLIN in 2011 en het geldt nog steeds. Lees het in onze boeken, zie waar jouw grenzen van het absurdistische precies liggen. Het zijn interessante gedachte-experimenten.